Figuur 1: Een kaart van het Noordzeegebied uit het Visboek van Adriaen Coenen uit de tweede helft van de 16de eeuw (KB Den Haag, KW 78 E 54).
In het kader van de komende expo De Duinenabdij en de zee deed Sara Debbaut tijdens haar stage Publieksgeschiedenis achtergrondonderzoek naar de relatie van de abdij met de zee. In deze derde blog staat de zee als transportmiddel centraal. Eeuwenlang werden waterwegen gebruikt voor uiteenlopende activiteiten: van handeldrijven tot het transport van vorsten, diplomaten en pelgrims. Hier ligt de aandacht op de handelsactiviteit van cisterciënzerabdijen in de middeleeuwen.
Handel
'Ora et labora', of bid en werk, is een van de uitgangspunten van de kloosterregel van Benedictus van Nursia (480-547). Dit betekent niet dat monniken van O.-L.-V. abdij Ten Duinen zich uitsluitend tot gebed of arbeid beperkten. Integendeel, naast religieuze praktijken vormde handel een belangrijk onderdeel van het reilen en zeilen binnen de abdij. Het belang van deze handel blijkt uit de talrijke tolvrijstellingen die de abdij verwierf, het bezit van een eigen vloot en de aanwezigheid van stapelplekken en refuges van de religieuze gemeenschap in belangrijke stedelijke handelsplaatsen.
Handeldrijvende cisterciënzergemeenschappen
In de beginperiode hielden cisterciënzerabdijen zich strikt aan het handelsverbod dat door de Regel van Benedictus werd opgelegd. Maar naarmate verschillende abdijen aanzienlijke graan- en veeoverschotten produceerden en ze tegelijk moesten instaan voor hun eigen levensonderhoud, verwaterde de strikte naleving van dit verbod. Geleidelijk werd handeldrijven toegestaan, zij het onder strikte voorwaarden: enkel overschotten mochten worden verkocht en dit aan de gangbare marktprijs. Winst maken bleef streng verboden.
Cisterciënzerabdijen ontwikkelden hierdoor een uitgebreid netwerk van handelsrelaties met zowel andere abdijen als particuliere handelaars. Om monastieke discipline, stabiliteit en eerlijke handel te waarborgen, werden handelsactiviteiten in de 12de eeuw door het generaal kapittel gereguleerd. Het stelde dat er maximaal twee monniken of lekenbroeders als handelaars mochten optreden, omdat het drijven van handel een nefaste impact kon hebben op de spirituele hartstocht van de monnik of de lekenbroeder.
Om dit te voorkomen stelden verscheidene abdijen tegen het einde van de 12de eeuw vaak een lekenbroeder aan als hoofdhandelaar. Hij was verantwoordelijk voor zowel handel te drijven als de controle van de handelsactiviteit. Of dergelijke arbeidsverdeling tussen lekenbroeders en monniken systematisch werd toegepast in de Abdij Ten Duinen blijft onduidelijk wegens gebrek aan bronnenmateriaal.
Ook de duur van de reis werd gereguleerd: niet langer dan vier dagen mochten de monastieke handelaars onderweg zijn. Met als uitzondering de overtocht naar Engeland, die vanzelfsprekend meer tijd vereiste. Daar mochten echter geen markten worden bezocht die verder dan twee dagen reizen van de kustlijn verwijderd lagen.
Na de 13de eeuw verminderde het aantal regulaties over de reisduur en het gedrag van de lekenbroeders op reis. Dit hing samen met het feit dat vele cisterciënzerabdijen huizen of refuges hadden in belangrijke handelsplaatsen, waar permanent overnacht kon worden.
Stedelijke refuges
Volgens de vroegste orderegelgeving mochten cisterciënzerabdijen een huis bezitten in naburige steden voor handelsdoeleinden, maar mocht dit niet dienen als permanente verblijfplaats. Door de groeiende handelsbetrekkingen werd het verblijf in deze stadswoningen steeds aantrekkelijker om de handelsbelangen veilig te stellen. In de praktijk werd daarom vaak toch in deze huizen geresideerd, wat leidde tot een nieuwe regelgeving tegen het einde van de 12de eeuw. Toen werd permanent verblijf toegestaan voor lekenbroeders, met de beperking dat er slechts één lekenbroeder per stad mocht resideren, onafhankelijk van de hoeveelheid refuges in deze stad.
De eerste refuges werden gesticht in steden met een kathedraal, die vaak belangrijke middelpunten vormden voor regionale commerciële activiteit. Later werden ook huizen gekocht bij belangrijke marktplaatsen. Ze fungeerden als opslagplaats, verkoopcentrum en locatie voor het afsluiten van handelsovereenkomsten. De afstand tot de moederabdij kon erg variëren en soms grote afstanden beslaan: de O.-L.-V. abdij Ten Duinen bezat zelfs een huis te Dover.
Vanaf de late 12de eeuw werd het beheer van deze stedelijke huizen toevertrouwd aan een lekenbroeder, soms bijgestaan door twee lekenbedienden. Door de afname van lekenbroeders in de tweede helft van de 13de eeuw, werd deze taak steeds vaker door monniken overgenomen.
Tolvrijstellingen
Opmerkelijk is dat veel, zo niet alle, cisterciënzerabdijen beschikten over tolvrijstellingen. Hierdoor konden ze vrij varen op belangrijke waterwegen. Het verkrijgen van dergelijke vrijstellingen was dan ook cruciaal voor de zelfvoorziening van de abdij. Hierdoor streefden abten vaak actief exempties van tol na.
Ook de Duinenabdij verwierf tolvrijstellingen: zij verkreeg tussen het midden en het einde van de 13de eeuw tientallen tolvrijstellingen, geschonken door vorsten of lokale heren. Hiermee zocht de abdij politieke garanties ter bescherming van haar handelsbelangen. Om die reden onderhield de abdij nauwe relaties met de graven van Vlaanderen, de Engelse koningen en hun bondgenoten buiten het Engelse grondgebied, en zelfs met de Keizer van het Heilige Roomse Rijk.
In Vlaanderen zelf verkreeg de Duinenabdij onder meer een tolvrijstelling door Diederik van de Elzas (ca. 1099-1168), die in 1142 alle cisterciënzerabdijen van de filiatie van Clairvaux binnen zijn graafschap vrijstelde van tolheffingen. Daarnaast beschikte de abdij over tolvrijstellingen in diverse regio’s en steden waarvan Brabant, Holland, Leuven, Zeeland, Antwerpen, Breda en Doornik enkele voorbeelden zijn.
Omdat er geen specifieke documenten over de handelsactiviteiten van de Duinenabdij zijn, bieden de tolvrijstellingen belangrijke aanwijzingen. Ook andere bronnen, zoals stadsrekeningen, kunnen deze economische activiteit bevestigen. Zo vermeldt een 14de-eeuwse stadsrekening van Gent de aankoop van graan afkomstig van de O.-L.-V. abdij Ten Duinen.
Eigen vloot
Transport over water speelde een belangrijke rol bij het vervoer van bulkgoederen zoals graan, zout en wol. Afhankelijk van hun geografische ligging beschikten sommige abdijen over een eigen vloot. Dat gold zeker voor abdijen aan de zee of langs grote rivieren, terwijl inlandse abdijen doorgaans boten huurden voor overzeese handel en regionaal goederenvervoer. Door het beperkt aantal beschrijvende bronnen blijven de aard en omvang van deze schepen moeilijk te reconstrueren.
Dankzij haar ligging aan de zee beschikte de Duinenabdij over een eigen vloot, die dankzij de koningen zelfs aan de Engelse zuidkust mocht aanmeren en hersteld worden. Bij gebrek aan bepaalde grond- en voedingstoffen werden de religieuzen uitgezonden om deze aan te kopen. Dit toont aan dat de abdij beschikte over voldoende logistieke en financiële middelen om zelfstandig haar bevoorrading te organiseren.