Figuur 1: Illustratie van Jeruzalem, een van de belangrijkste pelgrimsoorden in de middeleeuwen, uit 'Beschreibung der Reise von Konstanz nach Jerusalem' door Konrad Grünenberg, ca. 1497 (Wikimedia).
In het kader van de komende expo De Duinenabdij en de zee deed Sara Debbaut tijdens haar stage Publieksgeschiedenis achtergrondonderzoek naar de relatie van de abdij met de zee. In deze laatste blog focust ze op bedevaarten.
Bedevaarten
Naast het vervoer van goederen vormden waterwegen in de middeleeuwen ook een belangrijk transportmiddel voor personen. Niet alleen vorsten en handelaars maar ook pelgrims gebruikten rivieren en zeewegen om zich te verplaatsten. Vooral vanaf de 13de eeuw kende zeevervoer een sterke groei, toen de Middellandse Zee voor christelijke zeevaarders wat veiliger werd.
Pelgrims zijn personen die een bedevaart ondernemen, d.w.z. een bezoek brengen aan een heilige plaats, meestal vanuit religieuze motieven, al kon een bedevaart ook als straf worden opgelegd. Dat overkwam een lekenbroeder van de Duinenabdij, die in 1476 bij een ruzie een andere lekenbroeder verwond had. Toen die laatste daarop overleed aan hevige koorts, kreeg de dader als straf een levenslange kerkeropsluiting, maar de abt verving die door een bedevaart naar Rome. Daarna kon de lekenbroeder terugkeren in de gemeenschap, al liet hij zich als boete vrijwillig aan de voeten boeien, zodat zijn bewegingsvrijheid voor de rest van zijn dagen beperkt bleef...
Middeleeuwse bedevaartsoorden
Bedevaarten kennen een lange voorgeschiedenis: reeds in de antieke periode in het oude Egypte, Griekenland en Rome bezochten mensen plaatsen waaraan een bijzondere waarde werd toegekend, zoals tempels en altaren van goden van de vruchtbaarheid, gezondheid …
Ook in de middeleeuwen was dit het geval: men was ervan overtuigd dat God op sommige plaatsen dichter aanwezig was dan elders en dat het belangrijk was om deze locaties te bezoeken. Niet elke plaats kwam hiervoor in aanmerking. Vooral locaties waar martelaren of heiligen begraven lagen, plaatsen die een rol hadden gespeeld in het leven van Jezus Christus of plaatsen waar mirakels zouden hebben plaatsgevonden, werden beschouwd als bestemmingen voor bedevaarten.
De groei en verspreiding van bedevaarten werd in de middeleeuwen bevorderd door verschillende factoren, waaronder de opkomst van de steden, de bloei van handel en handelsnetwerken, verbeterde communicatie en de gotische architectuur. Hierdoor was er vanaf de 11de eeuw sprake van een nieuwe golf bedevaarten, waarbij meer mensen de lange reis ondernamen naar het Heilig Land, Rome of later Santiago de Compostella.
Lang waren Jeruzalem en Rome de belangrijkste en populairste bedevaartsoorden. Jeruzalem was een belangrijke plaats omdat daar volgens de christelijke traditie de passie, dood en verrijzenis van Jezus Christus plaatsvonden. In Rome stond de herdenking van christelijke martelaren centraal. Vanaf de 10de eeuw won een nieuw bedevaartsoord aan populariteit: Santiago de Compostella, waar de apostel Jacobus de Meerdere begraven lag. Tegen de 11de en 12de eeuw groeide deze bestemming uit tot een belangrijke concurrent van de bestaande pelgrimsroutes. Hierdoor wordt er gesproken van de grote drie bedevaartsoorden tijdens de middeleeuwen: Jeruzalem, Rome en Santiago de Compostella.
Natuurlijk bestonden er nog talrijke andere heilige plaatsen, al dan niet op de weg naar de big three, waar veel pelgrims naartoe trokken. Enkele belangrijke ‘pelgrims-stops’ waren Chartres, Vézelay, Le Puy en Saint-Gilles (Arles). Daarnaast ontstonden ook onafhankelijke bedevaartsoorden zoals Keulen, Aken en Mont-Saint-Michel. Door de canonisering van nieuwe heiligen ontstonden er bovendien nieuwe bedevaartsoorden waaronder Canterbury, Padua of Assisi.
Pelgrimsroutes: over land en over zee
Dit alles maakt het reconstrueren van de pelgrimsroutes niet altijd even eenvoudig. Er waren verschillende trajecten naar de belangrijkste pelgrimsoorden en ze veranderden voortdurend onder invloed van politieke ontwikkelingen, infrastructurele veranderingen en de teloorgang of het ontstaan van nieuwe routes. Zowel land- als waterwegen werden gebruikt. Rivieren waren tijdens de middeleeuwen soms te wild en onvoorspelbaar om te kunnen dienen als hoofdtransportmiddel. Toch voeren vele pelgrims een deel van de reis over de Rijn of Rhône.
Na de 12de eeuw nam het gebruik van landroutes naar het Heilig Land af, mede doordat de Middellandse Zee na de eerste kruistocht (1096-99) ongeveer een eeuw grotendeels onder christelijke controle stond. Dit zorgde voor een relatief veilige verbinding tussen Europa en het Heilig Land voor zowel handelaars als pelgrims. Belangrijke vertrekplaatsen waren grote havensteden zoals Barcelona, Marseille, Amalfi en Venetië. Ook vanuit Engeland, Sluis en vanaf de 16de eeuw Antwerpen, konden pelgrims vertrekken, doorgaans met een overstap op een ander schip.
Venetië speelde een belangrijke rol in het vervoer van pelgrims: de stad genoot van een gunstige ligging met een goede verbindingen naar Palestina, had een sterke vloot en beheerste bovendien een groot deel van de zeeroutes van de Middellandse Zee. Vanaf de eerste helft van de 13de eeuw werden er zelfs specifieke wetten uitgevaardigd om het pelgrimsvervoer te reguleren en vergemakkelijken. Geleidelijk groeide de pelgrimsvaart uit tot een Venetiaans monopolie, dankzij haar maritieme expertise en haar stabiele munt, die als enige vreemde munt aanvaard werd als wettig betaalmiddel door de Arabieren.
Aanvankelijk bestonden er geen specifieke schepen die voor de bedevaart waren uitgerust. Hierdoor reisden pelgrims mee op kleine vrachtschepen, die niet geschikt waren voor lange zeereizen en meestal langs de kust voeren. De tocht was niet ongevaarlijk: hoewel men open zee probeerde te vermijden, bleef er een kans op stranding en schipbreuk of op een ontmoeting met kapers.
In de 14de eeuw onderging de Europese scheepsvaart enkele veranderingen: schepen werden groter, het kompas deed zijn intrede en zeekaarten werden nauwkeuriger, waardoor zeevaart betrouwbaarder werd. Ook werden er na verloop van tijd speciale boten voor de pelgrimsvaart gebouwd, al bleven pelgrims ook later nog gebruikmaken van handelsschepen wanneer zij deze pelgrimsboten gemist hadden.
Bronnen over pelgrimages
Welke bronnen kunnen ons informeren over deze bedevaarten? Allereerst waren er reisdagboeken, reisgidsen en pelgrimsverslagen, die voornamelijk werden geschreven door leden van de midden- en bovenklasse. Een voorbeeld hiervan is Bruggeling Anselm Adornes (1424-1483) die in 1470-1471 op bedevaart vertrok naar het Heilig Land en een verslag over deze reis liet optekenen door zijn zoon Jan (1444-1511). Hoewel deze bronnen waardevolle inzichten bieden, vertellen ze natuurlijk niet veel over de lagere klassen die deze tocht maakten. Zo kreeg een pelgrim komend uit Rome in juli 1607 van de portier van de abdij (toen op Ten Bogaerde) een aalmoes, maar meer weten we er niet over. Twee jaar eerder waren meerdere Duinheren en zelfs de zieke abt en zijn zus (abdis van Gistel) getrokken naar Scherpenheuvel, waar een Mariabeeld vanaf 1603 zorgde voor mirakelen en dat met stevige steun van de aartshertogen het bekendste bedevaartsoord van de Spaanse Nederlanden werd. Ruim een eeuw later vergoedde de abdij jarenlang bedevaarten naar Machelen en Halle , toen een rundveeplaag de regio teisterde.
Daarnaast bestaan er ook materiële getuigenissen van pelgrimstochten. Op de site van de Duinenabdij werd een gitten beeldje gevonden, dat Jacob de Meerdere voorstelt als pelgrim, met een pelgrimsstaf en een gesloten evangelieboek. Het kon met een koord doorheen een doorboring gedragen worden.
Pelgrims brachten uit Compostella ook Sint-Jakobsschelpen mee. Ze werden zichtbaar op de kleding gedragen en kregen daarom twee gaatjes om ze te bevestigen. Ook zo'n schelpen zijn op de abdijsite van O.-L.-V. Ten Duinen teruggevonden in graven. Ze werden aangetroffen op het hoofd, de borst en de heup van de skeletten, wat suggereert dat ze respectievelijk op een hoed, een mantel of een tas bevestigd waren. Betekent dit dat de overledene daadwerkelijk de reis naar Compostella afgelegd had? Hij kon ook symbolisch of geestelijk als pelgrim beschouwd zijn. En schelpen, zowel de natuurlijke als reproducties in metaal, konden ook dienen als amulet of als religieus symbool voor wie zo'n reis aanvatte. De precieze betekenis blijft vaak onduidelijk…