Sara Debbaut
Het jaar van de visserij 2026

In zee met de Duinheren. Middeleeuwse remedies uit de zee

In het kader van de komende expo De Duinenabdij en de zee deed Sara Debbaut tijdens haar stage Publieksgeschiedenis achtergrondonderzoek naar de relatie van de abdij met de zee. In deze tweede blog staat de medicinale werking van vis tijdens de middeleeuwen centraal. Welke rol speelde vis binnen medische theorieën en visies in de middeleeuwen? Tegen welke ziekten en kwalen werd hij ingezet? Welke rol speelden monniken in de ziekenzorg?

Medische visies en theorieën over vis in de middeleeuwen

In de middeleeuwen was vis niet alleen een vervanging voor vlees tijdens de vastenperiode of een onderdeel van feestmaaltijden, maar werd hij ook gebruikt voor medicinale doeleinden. Wellicht niet het eerste waaraan je denkt, maar er zijn wel degelijk medische traktaten waarbij vis wordt genoemd als middel om ziekten te voorkomen of te genezen. Vis kon zowel deel uitmaken van corrigerende diëten als gebruikt worden als geneesmiddel op zich.

In de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd was op medisch vlak de humorenleer van Claudius Galenus (129-199 n.C.) de meest gezaghebbende theorie (fig. 1). Deze medische leer, die voortbouwde op de ideeën van Hippocrates (ca. 460-370 v.C.), stelde dat ziekte ontstond bij een verstoring van het evenwicht van de vier lichaamssappen (bloed, slijm, gele gal en zwarte gal).

Volgens die humorenleer is vis koud en vochtig: vochtig door zijn leefomgeving en koud door het vermeende gebrek aan bloed. Hierdoor zou vis moeilijk verteerbaar zijn, aangezien het menselijk lichaam zich eerst moet opwarmen om de vis te verteren. Daarom werd vis door middeleeuwse auteurs als minder geschikt voor menselijke consumptie beschouwd en staan encyclopedieën en wetenschappelijke traktaten eerder negatief en wantrouwig tegenover de consumptie.

Het consumeren van vis leidde volgens de humorenleer tot het produceren van slijm en het verzwakken van de zenuwen. Hij werd dus zelden voorgeschreven aan patiënten, want hij kon net ziekte veroorzaken. In bepaalde gevallen werd hij voorgeschreven voor gezonde mensen. Het was bijvoorbeeld aangeraden om vis te eten in warme regio’s of door jonge mensen, want zij werden gekenmerkt door een warme en droge constitutie: dan kon de vochtige aard van de vis voor de nodige verkoeling zorgen. Dit principe wordt in de humorenleer ook wel contraria contrariis curantur genoemd, waarbij men het tegengestelde gebruikte om de lichamelijke onevenwicht te herstellen.

Wanneer men toch vis consumeerde, gaven encyclopedieën de voorkeur aan zoutwatervis, die over betere eigenschappen zou beschikken (fig. 2). Allereerst heeft een zeevis meer beweging dan een zoetwatervis of stilwatervis doordat hij vaker blootgesteld wordt aan stromingen en wind. Hierdoor zou het overtollige vet verdwijnen en het vlees steviger en beter verteerbaar zijn.

Daarnaast leefde zeevis volgens middeleeuwse auteurs in een zuiverdere omgeving. Dit was heel belangrijk omdat de groei van steden in de 13de eeuw vervuiling van de waterlopen met zich meebracht. Dat had een negatieve invloed op de zoetwatervissen, die de afvalstoffen opnamen.

Bovendien zouden volgens Hildegard van Bingen (1098-1179) geneeskrachtige planten en zand zich onder water bevinden. Door zeevis te eten, kon men deze indirect zelf consumeren. Tenslotte zou het zoute water een positieve impact hebben op de aard van de vis, waardoor hij minder koud, vochtig en slijmerig werd.

Toch werd in de praktijk veel zoetwatervis geconsumeerd. Zoals vermeld in de blog over vis als voedingsbron [link toevoegen], werd verse zeevis niet verder dan circa 150 km landinwaarts vervoerd. Gelukkig was het mogelijk om bij de bereiding van vis de aard wat te temperen. Warme en droge kruiden, zoals peper, werden toegevoegd om de vochtige en slijmerige aard van de vis te verzachten en het verteringsproces te bevorderen.

Vis als medicijn

Hoewel het consumeren van vis niet voorgeschreven werd aan patiënten, speelde hij op een andere manier een rol bij medische behandelingen. Daarvoor werd hij wel eerst gemengd met ingrediënten als honing, water, boter of kruiden, om vervolgens verwarmd, gekookt of tot poeder verbrand te worden. Hierna werd de vis extern toegebracht op een wonde of ontsteking. Veelgebruikte vissoorten in medische voorschriften zijn paling, pos, snoek en stokvis.

In middeleeuwse medische recepten werd zelden de volledige vis gebruikt. Men maakte gebruik van specifieke onderdelen zoals gal, visolie, ingewanden, huid, kieuwen, bottenpoeder of zelfs het water waarin een vis gewassen was.

De gal van paling werd voornamelijk gebruikt tegen oogziekten, een praktijk die reeds voorkomt in oud-Egyptische en Griekse bronnen. Palingolie werd gebruikt bij oorproblemen en -ontstekingen. Pos en snoek werden voorgeschreven tegen koorts en ontstekingen, terwijl de huid van stokvis kon dienen als een verkoelende pleister.

Sommige remedies bevatten ingrediënten of werkwijzen die vandaag wel erg bijzonder lijken. Zo vermeldt een recept tegen een spraakgebrek na een hersenletsel dat palinggal, vermengd met moedermelk, in het oor van de patiënt gegoten moest worden.

Medicinale praktijken in monastieke middens

Monniken speelden een cruciale rol in het overleveren van oude medische kennis. Zij bewaarden, kopieerden en bestudeerden antieke medische teksten. Bovendien voorziet de Regel van Benedictus een afzonderlijk luik dat instond voor de ziekenzorg. De monniken hadden dus de plicht zieken en ouderen te verzorgen, zowel lichamelijk als spiritueel. Hierdoor ontwikkelden zij ook praktische vaardigheden zoals spalken, zetten en reduceren van ontwrichtingen.

Cisterciënzermonniken, die die Regel van Benedictus volgden, telden tegen het einde van de 12de eeuw zelfs enkele monnik-artsen. Archeologische vondsten bevestigen deze medische activiteit. Op verschillende monastieke sites in Europa zijn skeletten met genezen botbreuken teruggevonden. Daarnaast werden op Scandinavische sites niet-inheemse medicinale planten aangetroffen, wat wijst op een bewuste import en een grote interesse in medische kennis en praktijken.

Ook in de Abdij Ten Duinen werden zieken verzorgd. De abdij had haar eigen ziekenzaal voor de monniken en in de 13de eeuw was er zelfs sprake van een aparte ziekenzaal voor de armen. Archeologische vondsten kunnen wijzen op medische praktijken: er werden metalen pleisters (fig. 3) en vijzels gevonden. Deze vijzels werden mogelijk gebruikt voor medische bereidingen (fig. 4). Daarnaast vertonen de onderzochte skeletten een zeer laag percentage van botmisvormingen, wat wijst op succesvolle behandelingen door de monniken.

De abdij bezat bovendien een uitgebreide bibliotheek waar kennis werd verzameld, bewaard en bestudeerd. De collectie omvatte niet enkel liturgische teksten, maar ook wetenschappelijke, juridische, theologische, medische, filosofische en humanistische werken. We mogen daarom rustig aannemen dat ook de Duinheren vertrouwd waren met medische voordelen en toepassingen van vis.